De internationale promotor van het CoP-concept is Etienne Wenger. Het fenomeen praktijkgemeenschap bestaat of functioneert in groepen sinds mensenheugenis. Op het einde van de 20e en in het begin van de 21e eeuw wordt het bewust gevat en gekanaliseerd. Etienne Wenger gaf diverse definities ervan. De volgende lijkt me heel aantrekkelijk: “Communities of practice are groups of people who share a concern, a set of problems, or a passion about a topic, and who deepen their knowledge and expertise in this area by interacting on an ongoing basis.”
Dit procédé is inderdaad zo oud als de straat. Nieuw is dat vandaag steeds meer organisaties en sectoren de behoefte hebben om het proces te identificeren, te managen of te stimuleren. Het gaat dan doorgaans om zogenaamde ‘lerende organisaties’, waarbij in de praktijk werkende mensen met elkaar in verbinding treden om problemen op te lossen, ideeën te delen, standaarden in te voeren, geschikte instrumenten te maken en relaties tussen ‘peers’ en ‘stakeholders’ aan te knopen.
Praktijkgemeenschappen kunnen allerlei vormen aannemen, soms kortstondig, soms langdurig. Er kunnen zowel praktijkgemeenschappen op één plaats of binnen één instelling ontstaan, als op verschillende plaatsen (‘distributed CoP’), eventueel zelfs in verschillende werelddelen. Alles draait hierbij om het samen construeren en beheren van kennis, om het managen van expertise.
De effectiviteit van een praktijkgemeenschap hangt volgens Wenger af van de sterkte van de drie basisdimensies van een praktijkgemeenschap: domein, gemeenschap en praktijk. Het ‘domein’ verwijst naar de belangrijkste kwesties (‘focal issues’) en naar het zich identificeren van de leden met het thema of de benadering in kwestie. Het gaat om een kennis- of expertisedomein, dat ook instaat voor een specifieke identiteit. Daarbij is ook de kennis van de omvang en van de staat van het domein belangrijk. De ‘gemeenschap’ omvat de relaties van de leden en de aard van hun interacties. Dit verwijst naar bepaalde niveaus van vertrouwen (‘trust’), van erbij horen (‘belonging’) en van wederkerigheid (‘reciprocity’). Ten slotte is er de notie van de gedeelde ‘praktijk’: een repertoire van instrumenten, methodes, en vaardigheden, net als de activiteiten van leden rond leren en innovatie.
Een CoP is niet hetzelfde als een projectteam, een team dat een samenhangende set van taken uitvoert om een vooraf gedefinieerd gedeeld doel te bereiken. Het ‘domein’ is niet hetzelfde als een taak, maar eerder een interessegebied. Leden van een praktijkgemeenschap zijn verbonden door interdependente kennis, eerder dan door interdependente taken. De gemeenschapscoördinator is niet zozeer een leider, als wel een facilitator en een samenbrenger.
Hoe cultiveer je praktijkgemeenschappen?
‘Cultiveren’ is niet alleen één van mijn favoriete woorden, dat is het ook voor Etienne Wenger. Wenger en co identificeerden zeven belangrijke principes – adviezen of recepten eigenlijk – bij het beheren van praktijkgemeenschappen: 1) ontwerp met evolutie en aanpassing voor ogen; 2) open een dialoog tussen interne en externe perspectieven/stakeholders; 3) werk met diverse niveaus van participatie; 4) ontwikkel zowel publieke als private ruimtes voor ontmoeting; 5) focus op waardecreatie; 6) combineer waar mogelijk vertrouwdheid en opwinding; 7) creëer ritmes voor de gemeenschap of speel in op regelmaat, herdenkingen, vieringen, rituelen, speciale momenten. Zoek de ‘hartslag’, de ‘beat’ … en bouw daarop de jamsessies verder uit.
In de beschikbare literatuur en op websites beschrijven allerlei scenario’s hoe conflicten kunnen worden opgelost, hoe de noties domein, gemeenschap en praktijken telkens anders zijn en evolueren. Zo blijkt in de meer gevorderde fases van de levenscyclus van een praktijkgemeenschap dat het bijhouden van een geschiedenis of van documentatie belangrijk is. In hun handleiding geven Wenger, McDermott en Snyder ook tips en methodes voor het cultiveren van verspreide gemeenschappen, waar regelmatige face-to-face-interacties niet centraal staan en waar moet worden omgegaan met factoren zoals afstand tussen deelnemers, omvang van de netwerken, eventuele andere institutionele affiliaties (over bedrijfsgrenzen heen, soms netwerken tussen technici van concurrerende firma’s of instellingen, …) en culturele verschillen. Het proberen te definiëren van het domein en het verzoenen van meervoudige agenda’s, het cultiveren van vertrouwen en persoonlijke relaties, de keuze van de juiste, meest ‘hongerige’ anker-eenheden in praktijkgemeenschappen: uitdagingen zijn er bij de vleet.
Het hanteren van ICT en andere communicatie-instrumenten blijkt daarbij erg belangrijk te zijn. Het gaat zelfs zover dat velen de aanwezigheid van een ICT-platform cruciaal achten. Maar dat zou een spijtige reductie zijn. Het is belangrijk steeds voor ogen te houden dat aan de basis een visie of theorie over leren ligt. Het is een poging om niet automatisch mee te gaan in de benadering als zou leren een individueel proces zijn, met een begin en een einde, dat best totaal los staat van de rest van de activiteiten en het resultaat is van onderwijs.
Leren werkt in de praktijk ook vaak anders. Met de grote nood aan vaardigheden en bruikbare kennis voor ogen – die zich vertaalt in een roep om betere opleidingen – moet het bredere plaatje toch eens vanuit die inzichten worden bekeken. In elk geval is er een enorme gereedschapskist beschikbaar, klaar om gebruikt te worden.
Wenst u binnen het culinaire domein een CoP op te zetten, neem dan contact.
Maak gebruik van alle communityfuncties: